Diagnose stellen van worminfectie

De diagnose van een worminfectie is lastig. Twee parameters worden in de praktijk gebruikt voor een indicatie.


1. Percentage afgekeurde levers

Op de slachtbon van de slachterij ziet een varkenshouder het aantal afgekeurde levers. Leverafkeuringen zijn meestal toe te schrijven aan een spoelwormbesmetting. Het aantal ‘white spots’ (witte vlekken) op de levers van de geslachte varkens is een goede indicatie van de zwaarte van een wormbesmetting op een bedrijf. Dit is alleen aan de slachtlijn te beoordelen, evenals het voorkomen van volwassen wormen in het darmpakket. Het leverletsel - of de white spots - herstellen volledig na 5 à 6 weken. Dit betekent dat het aantal white spots of leverafkeuringen slechts een beeld geeft van de besmettingsdruk in de laatste fase van de afmestperiode.

     Wormlarven doorboren het leverweefsel en veroorzaken de typische 'white spots'.
Gezonde
lever
Matig beschadigde lever Slechte lever met veel White Spots (Klik op de foto voor een vergroting.)


2. Tellingen van wormeitjes

Traditioneel worden tellingen van wormeitjes gebruikt om de besmettingsgraad vast te stellen (EPG-onderzoek). Dit onderzoek is echter geen effectief diagnosemiddel. Ten eerste blijkt het in de praktijk niet eenvoudig om de wormeitjes te vinden in de mest (intensieve bemonstering nodig van alle diercategorieën). Bovendien geven zelfs positieve EPG's (tellingen van het aantal eitjes per gram mest) geen indicatie voor het te verwachten aantal volwassen wormen in de darm of voor de schade die de larven kunnen aanrichten.

De zin en onzin van eitellingen

Logica in de paradox. Er bestaat een rechtstreeks verband tussen de opname van het aantal geëmbryoneerde wormeitjes en het aantal white spots op de lever van het varken. Maar er bestaat een schijnbare tegenspraak tussen de besmettingsgraad van de varkens en de wormeitellingen.



Hoge besmetting, nauwelijks eitjes

Bij hoge besmetting van de omgeving zullen de varkens intensiever in contact komen met wormeitjes. Hierdoor zullen vaak en massaal larven in het dier voorkomen die zich door het lichaam verplaatsen. Het lichaam reageert hierop met een felle immuunreactie. Veel larven worden hierbij gedood. Daarom zullen maar weinig larven overleven. In de dunne darm zullen weinig of geen volwassen wormen aanwezig zijn, waardoor weinig eitjes met de mest worden uitgescheiden.

Lage besmetting, veel eitjes

Is de besmettingsdruk in de omgeving laag, dan worden maar weinig eitjes opgenomen. In het varken verplaatsen zich weinig larven door het lichaam. De immuunreactie is hierop minimaal, omdat er weinig schade in het lichaam wordt aangericht. Larven kunnen hun trektocht door het lichaam afmaken en uitgroeien tot volwassen wormen. Hierdoor komen er meer volwassen wormen in de darmen die volop eitjes produceren.

Worden toch eitellingen gedaan, bemonster dan mest van verschillende leeftijdsgroepen. Maak eventueel mengmonsters van 50 mestmonsters per leeftijdsgroep en herhaal het EPG-onderzoek met een tussentijd van twee weken.


3. Overige informatiebronnen

I. Onderzoek aan gestorven varkens (sectie- of post mortem onderzoek). Kijken naar larven in lever en longen of volwassen wormen of larven in de darmen.

II. Beoordeling gezondheidstoestand: slechte uniformiteit, varkens hoesten veel en de behandeling met antibiotica slaat onvoldoende aan, chronische darmstoornissen, zoals PIA of ileitis.

Print deze pagina